De Laatste Wacht – 2

wilhelmus johannes angenent

Wilhelmus Johannes Angenent, 10 mei 1940

Een fictieve maar op historische feiten gebaseerde reconstructie van het moment waarop Wilhelmus Johannes Angenent sneuvelt aan het begin van de Tweede Wereldoorlog.

Mijn biografie

Ik ben Wilhelmus Johannes Angenent (Willem). Geboren 11 december 1920 in Den Haag. Mijn vader Gerardus Anthonius (Gerard, *1893-†954) is tramconducteur. Vader werkt op lijn 1, zeggen ze. Van Delft via Den Haag tot het Scheveningen Noorderstrand. Soms zwaait hij als we hem zien langsrijden. Eén keer mocht ik mee. Toen dacht ik nog dat ik ook trambestuurder wilde worden. Mijn moeder Catharina Grada Francisca Bolder (Rina, *1890-†1980) zorgt voor het huishouden, en geloof me, dat is bij ons geen kleinigheid. We zijn met z’n negenen thuis. Vier jongere zussen na mij, en een zus en een broer boven mij. Het is altijd druk in huis. Stampende voeten op de trap, schillen in de teil, dekens over de stoelen, geuren van soep en boenwas, en de zachte dreun van trams in de verte. M’n moeder rent zich de benen uit het lijf, maar altijd met een zachte blik. Vader zegt weinig, maar als hij lacht, voel je het in de hele kamer. Zo begint mijn leven.

Scheveningen, voorjaar 1939

De geur van vis en beloften

Ik ben nog geen achttien, maar ik voel me ouder als ik langs de haven loop. Scheveningen ruikt naar vis, zout, en een soort belofte die alleen de zee kan geven. Op de kade zijn mannen met touwen over hun schouder en petten diep over hun voorhoofd. Ik hou van dit leven. Het is eerlijk. Je werkt, je eet, je slaapt en je leert. Ik ben varensgezel in opleiding op een van de schepen in de Scheveningse haven. Geen grote rang, geen mooie titel, maar ik wil de zee op. Mee met het dek schrobben, touwen leren splitsen en knopen leggen die niet meer loslaten.

Najaar 1939

Ik moet vechten.

In het café wordt gefluisterd over de Duitsers. In de krant zie ik steeds vaker woorden als mobilisatie, dienstplicht. En dan, kort voor mijn verjaardag in december 1939, wordt de mobilisatie uitgeroepen.

Ik word versneld opgeroepen voor mijn dienstplicht. Geoefend wordt er nauwelijks. Ik word ingedeeld bij de grenadier-jagers van de 3de compagnie in het 3de bataljon van het 24e Regiment Infanterie: 3-III-24 R.I. Nadat ik mijn uniform in ontvangst had genomen, mijn legerlaarzen had aangetrokken, de helm op mijn kop had gezet, mijn M.95 geweer om mijn schouders had gehangen en de patroontassen aan mijn riem had gekoppeld kan ik mijn plunjezak vullen met een veldfles water, brood, worst en kaas, een bestekrolletje, wasgerei, een reinigingsset voor mijn geweer en een eetblik. Ik word met mijn compagnie richting Groesbeek gestuurd. Grenadiers Vooraan!”, “Allez Chasse!”

Groesbeek, vrijdagmorgen 10 mei 1940 – 03:45 uur

Grenspost Molenweg/Kranenburgsestraat

Ik voel mijn hart kloppen in mijn borst, alsof het me wil waarschuwen. De stilte is onnatuurlijk, zwaar… alsof de wereld haar adem inhoudt. Mijn handen trillen. Niet van de kou. Van iets anders. Onrust. Voorgevoel. Mijn vingers klemmen zich stevig om mijn geweer.

Het is fris deze nacht. Ik durf mijn ogen nauwelijks van het grenspad af te halen. Duitsland ligt aan het einde van de Kranenburgsestraat, daar achter die boomrand. Ik heb regelmatig het idee dat ik beweging zie, een glimp van staal. “Rustig blijven, Angenent,” hoor ik mezelf mompelen. Mijn mond is droog. In mijn borstzak zit een briefje. Van moeder. “Pas goed op jezelf, jongen.” Ik denk aan haar handen, altijd in de weer. Aan vader, die me nog op het station uitzwaaide alsof ik op zomerkamp ging. We konden geen van allen vermoeden dat we elkaar niet meer zouden zien.

03:58 uur.

Nu weet ik het zeker. Daar! Langs de bosrand, achter het prikkeldraad. “Beweging!” fluister ik. Mijn maat kijkt op en trekt zijn wapen strak tegen zich aan.

04:00 uur.

Dan … een flits. Een doffe knal. Schoten. Gekrijs. Angst. “DEKKING!” brult iemand. Mijn lichaam reageert vóór mijn verstand: ik duik achter een zandzak, hijgend, ogen wijd open. We vuren terug. Kogels suizen rakelings langs mijn hoofd. Eén raakt de plank naast mijn hoofd, splinters snijden in mijn wang. Dan voel ik iets heets in mijn nek, scherp. Alles wordt wazig. Geluiden verdwijnen in een tunnel. Mijn benen geven het op. Ik val … langzaam …

M.95

De compagnie bij de grenspost in Groesbeek is op deze eerste dag van de 2de W.O. in no time omsingeld en verslagen. Naast een tiental gesneuvelde jongens waren er ook gewonden, waaronder Wilhelmus. De gewonden worden afgevoerd naar de noodkliniek in Bedburg-Hau, 25 km ten oosten van Groesbeek, net voorbij Kleef in Duitsland.

12 mei 1940

Twee dagen later

Ik hoor stemmen. Duits? Of droom ik? Mijn ogen willen open, maar mijn lichaam zegt nee. Ik ben er nog. Mijn hoofd tolt. Mijn nek brandt. Mijn lichaam is vreemd, alsof het niet meer van mij is. Vluchtige flarden in mijn hoofd van thuis, van mijn moeders stem. Ik hoor haar zingen. In de keuken.

Ik laat los.