De beginjaren van Petrus Johannes Anthonius “Jan” Angenent – *1898 – †1936.
Ik zie het voor me: zondagnacht 23 oktober 1898, half drie ’s nachts. Een zwaarbewolkte herfstlucht hangt boven Hilversum, ook boven de Bakkerstraat 20, net ten oosten van het treinstation, zo vertelde mijn vader mij later.

Mijn moeder ligt bezweet maar stralend in bed en drukt me tegen haar borst. Ze fluistert zacht een weesgegroetje, dankbaar dat alles goed is gegaan. [Uitleg: weesgegroet].
De straten half modder, half keien. Het is koud, zo’n 9 graden, en een kille bries jaagt bladeren door de goot. Op verzoek van mijn ouders hebben de buren de vroedvrouw, Alida Coppens die drie minuten lopen verderop woont in de Zuiderweg 37, een paar uur eerder ingeseind; Coppens hielp ook bij de vier eerdere geboortes. Het was algemeen bekend waarde vroedvrouwen woonden. [Uitleg: vroedvrouw]. Mijn vader Jan, zadelmaker met ruwe handen, staat zenuwachtig in de deuropening van onze kleine woning en de frisse lucht kalmeert hem. [Uitleg: Zadelmakerij]. Dan klinkt binnen het eerste gehuil van een jongen: míjn gehuil. De vroedvrouw bevestigt rustig en professioneel: “Een zoon Lucia, en alles ziet er goed uit”. Jan komt binnen, houdt me vast alsof ik een kostbaar relikwie ben en noemt de namen die hij met mijn moeder had gekozen: Petrus Johannes Anthonius. Petrus naar de heilige apostel, Johannes naar hemzelf en Anthonius naar mijn opa van moederskant. Ik ben hun vijfde kind.
Mijn zus Johanna van zes komt op het geluid af en mag haar nieuwe kleine broertje zien. Mijn drie broers van vijf, vier en één jaar sliepen door alles heen. Twee, zes en acht jaar later krijg ik nog een broer en twee zussen. [Overzicht met foto’s: Het hele gezin ].
Een paar uur later gaan vader en ik al naar de kerk voor mijn doop. In onze rooms-katholieke wereld gebeurt dat bij voorkeur binnen vierentwintig uur. Pastoor Johannes Theodorus Hofman doopt me. [Vergelijk: Het doopritueel in 1898 en in 2025]. De Sint-Vituskerk was in 1882 afgebouwd en pastoor Hofman werkte in deze nieuwe kerk vanaf 1895. [Geschiedenis: de Sint Vituskerk].
De rest van de zondag gebruikt vader om zijn twee collega-zadelmakers te informeren: Petrus Verweij, 43, en Christiaan Wittenberends, 26. Maandag 24 oktober, de volgende dag, melden ze zich samen op Kerkbrink 6, in het Oude Raadhuis. Burgemeester Jan C. Gülcher verzorgt de inschrijving zelf, niet de vaste ambtenaar, en dat wordt thuis natuurlijk een verhaal: “De burgemeester zelf heeft …”. De getuigen zetten hun handtekening en bevestigen daarmee dat alles klopt. Het is een formaliteit, twintig minuten. [Afschrift: Geboorteakte]. [Info: Burgemeester Gülcher].
Hilversum bruist in die jaren. Het dorp groeit, spoorlijnen verbinden ons met Amsterdam en Utrecht. Katholieke gezinnen als het onze vinden houvast in de parochie. De toren van de Vitus waakt; wierookgeur hoort bij mijn kinderjaren en de zondagsmis is geen optie maar een plicht.
Als ik vier ben, rond 1902, ga ik naar de R.K. Bewaarschool aan de Groest. Niet verplicht, maar als ik 7 jaar ben is er inmiddels een leerplichtwet uit 1901. Ik loop soms aan de hand van mijn tienjarige zus, vaker met mijn moeder. Op mijn eerste dag druipt de regen langs mijn wollen jas en kousen, mijn houten klompjes kletteren op de straatstenen. Tien minuten lopen is voor korte benen een hele reis.
Als ik zes ben, stap ik over naar de nieuwe R.K. Aloysiusschool aan Achterom 100, naast de St-Vitus in het rechtergedeelte van het gebouw op de begane grond. Een katholieke lagere jongensschool: degelijk gebouw, strakke orde. De Franciscanessen van Oirschot organiseren het bewaaronderwijs en dragen bij aan de armenzorg. De laatste twee jaar ging ik naar het nieuwe gebouw naast de Aloysius omdat er heel veel kinderen waren bijgekomen.
[Geschiedenis: St. Aloysiusschool].
[Lees meer op de website van de Franciscanessen].
In de klas regeren nonnen: zwarte habijten, witte kappen die fel afsteken tegen lokalen vol houten banken. Hun gebed is zacht, hun stemmen zijn messcherp als wij rumoerig zijn. Ik leer mijn eerste letters, en vooral gehoorzaamheid, discipline en het idee dat God altijd meekijkt.
Buiten spelen we op zandpaden waar paarden en handkarren het tempo van het leven bepalen. Binnen heerst stilte, doorbroken door het tikken van een liniaal op tafel. Toch is er ook warmte: een non die me een appel in de hand duwt en fluistert dat ik flink moet groeien.
Begint hier mijn volgende levensbladzijde? Een katholieke jongen in een groot, devoot gezin, geboren in Hilversum maar al vroeg op weg gezet naar een leven dat me uiteindelijk duizenden kilometers verderop zal brengen?
Link naar Deel 2