Een fictieve maar op historische feiten gebaseerde reconstructie van het moment waarop Matthijs Angenent sneuvelt door “vriendelijk vuur”.
Dinsdagmorgen 4.30 uur
Het begon al te schemeren toen de ochtend sirene ging. Tijd om op te staan en te gaan werken. Matthijs schrikt wakker. Zijn rug doet pijn van de houten brits. Zijn keel is droog. Er hangt een vochtige geur in de barak, een mengsel van zweet, oud hout en iets wat lijkt op verfverdunner. Iemand snurkt. Twee bedden verder moppert een Pool zachtjes in zichzelf. Boven Matthijs in het stapelbed ligt Kees. Ze zijn samen uit Nederland getransporteerd, een jaar geleden, en sindsdien onafscheidelijk. Kees zag er gisteren slecht uit. Grauw. Stil. Kapot. De lucht is zwaar. Het is dinsdag 22 juni 1943, al was Matthijs dag en datum inmiddels kwijt.

Matthijs wrijft over zijn gezicht. Zijn handen zijn ruw en zwart onder de nagels. Hij strekt zijn benen, die inmiddels gewend lijken aan de kou van de vloer. In de hoek van de barak staat een roestige teil met vies ijskoud water. Hij schept een hand vol en laat het over zijn gezicht lopen. Helder word je er niet van, maar het doet iets. Dan schudt hij Kees wakker. Vreemd dat Kees nog niet met zijn benen over de rand van het bed bungelt, zoals elke morgen. Matthijs schudt nog eens, maar dan dringt het tot hem door dat Kees dood is. Van uitputting gestorven. Matthijs heeft geen tijd te rouwen, als hij niet op tijd op het appel komt krijgt hij zware straf. Huilend meldt hij de dood van Kees aan de kampbewaarder. Later zal Kees afgevoerd worden.
Bij het ontbijt krijgt hij een stuk droog brood en wat namaakkoffie. Soms zit er margarine bij, maar vandaag niet. Hij eet langzaam. Zijn keel zit dicht van verdriet om Kees. Die ochtend stierven er nog vier. Ziekte. Uitputting. Lichamen die het opgeven.
Vriendelijk vuur
Samen met de rest sjokt hij in een rij naar de fabriek. Het is inmiddels 5 uur en al bijna helemaal licht deze ochtend in juni. De Chemische Werke Hüls doemt op als een reusachtig monster van staal, pijpen en stoom. De wachters zeggen niets. Je weet wat je moet doen. Lopen. Werken. Zwijgen. Matthijs werkt in hal 3. Autogeen lassen. Vlammen richten, metaal laten vloeien. Het is zwaar, heet, en soms gevaarlijk, maar het is werk. En werk is beter dan niets. Beter dan straf.
De hal is gevuld met lawaai: metalen hamers, stemmen, machines. De lucht is dik van rook en gas. Hij heeft net zijn lasbril opgezet als hij vliegtuigen hoort. Niet ongewoon, maar deze keer zijn het er veel. Dan: sirenes gillen.
De opzichter brult: “Alarm! Bunker!” Iedereen schiet in beweging.
Matthijs twijfelt. Hij wil zijn slang nog losmaken. Die moet los. Altijd eerst netjes afsluiten, dat is hem geleerd. Een reflex, vakmanschap of koppigheid. Dan flitst het licht. Een dreun. Lucht wordt uit zijn longen getrokken. De hal schudt. Een schokgolf knalt hem achterover. Hij voelt iets scherps langs zijn zij, en in zijn rug, en overal bij zijn benen. Dan voelt hij niets meer.
En dan is het stil.