Hendrik aen gen Eijndt. 1542 n.Chr. – Ergens in graafschap Brabant
[De feiten zijn historisch, het verhaal fictie]
De nacht is stil. Té stil. Aan de rand van Oisterwijk, diep in de donkere bossen, houdt een groep mannen zich schuil. Hun ogen glanzen in het maanlicht, hun adem vormt wolkjes in de koele lucht. Ze maken deel uit van het leger van Maarten van Rossum, dat als een storm van vuur en staal door Brabant raast.
Dit zijn geen gewone soldaten. Geen ridders in blinkend harnas, geen goedgetrainde schutters uit stadsmilities. Dit zijn snaphanen, vrijbuiters, boeren, jagers, wraakzuchtigen. Ze vechten niet voor eer of roem, maar voor Gelre. Voor hun land, hun vrijheid, hun trots.
Hendrik aen gen Eijndt knielt achter een eik. De regen tikt zacht op zijn schouders. Zijn vingers glijden over de kolf van zijn snaphaan-geweer, het vuursteenslot ruikt naar buskruit en olie, de geur die hem dierbaar is geworden. Hij is geboren in Gelre, op een boerderij die door Bourgondische troepen werd platgebrand. Nu vecht hij voor Maarten van Rossum, de man die Gelre’s wraak belichaamt.
Naast hem knielt Ludolf, een geharde boerenknecht met een litteken over zijn wang. Hij tikt Hendrik aan en fluistert: “Zie je ze? Rond het kampvuur. We moeten ze snel en stil uitschakelen.” Hendrik knikt. Zijn hart klopt luid, maar zijn handen trillen niet.

Een paar meter verder heft Willem, hun leider, zijn arm. Het sein. Tegelijkertijd tillen twintig mannen hun geweren op. Albertus richt. Hij houdt zijn adem in. Een klik, snap, dan een donderslag. De eerste man zakt in elkaar. Er volgen nog meer schoten. De nacht ontploft in vuur en rook. De snaphanen stormen naar voren. Wie nog leeft, wordt met zwaard of dolk afgemaakt. In minder dan een paar minuten is het kamp stil.
“Terug”! roept Willem. Ze verdwijnen in het donker, terug naar de hoofdmacht.
Tegen het ochtendgloren trekt van Rossum’s leger op naar Oisterwijk. Een stad met stadsrechten, maar zonder muren. Geen obstakel voor de vrijbuiters. “Geen genade!” brult Willem. De snaphanen storten zich op de straten. De stad ontwaakt in paniek. Deuren worden ingetrapt, vensters verbrijzeld. Albertus laadt zijn geweer, rent naast Ludolf, en vuurt opnieuw. Mannen vallen, vrouwen gillen, kinderen verdwijnen in rook. Hij beukt een deur in, een herberg. Binnen zitten drie mannen, bleek van angst. De dikste, een koopman, houdt zijn geldbuidel tegen zijn borst. “Neem het zilver, maar spaar ons!”. Hendrik grijnst. “Had je maar Gelre trouw moeten zweren.” Hij grijpt de buidel en stoot de koopman met de kolf van zijn snaphaan tegen de grond.
De Gelrese mannen slepen kisten vol graan en wijnvaten naar buiten. Een fakkel vliegt door een raam. Even later laait het vuur op en likken de vlammen aan de houten gevels. Oisterwijk brandt.
Op het veld buiten de stad verzamelt Maarten van Rossum zijn mannen. Achter hem smeult het dorp. “Dit,” zegt hij met een duivelse grijns, “is nog maar het begin. De Hertog van Brabant dacht dat hij ons kon tergen. Nu weten ze beter.” Hij draait zijn paard om en wijst naar de horizon. “Boxtel. Daar wacht de volgende prooi.”
Albertus kijkt naar het brandende dorp. Hij slikt. Hij is een Snaphaan, een vrijbuiter. Een kind van Gelre. Maar diep van binnen vraagt hij zich af: Wanneer houdt dit op? Wanneer is genoeg genoeg?